2 mei 2013 onderweg naar Fiji 18*34 E 178*49 S

Omdat we de af te leggen afstand makkelijk zouden moeten halen vóór vrijdagmorgen, hebben we gisternacht de genua ingedraaid. Op veel plaatsen kun je op elk moment van de dag of zelfs ‘s nachts binnenkomen, maar op Fiji krijg je dan te maken met “overtime”. Er moeten een stuk of vier overheidsdiensten worden ingeschakeld om jou met je schip officieel in te klaren en al die diensten berekenen je overtime als je niet tussen 0.800-13.00 uur of 14.00-17.00 uur binnenkomt. Ankeren en je pas op de goede tijd melden, maakt niet uit, je bent aan de beurt. Tijdens de lunch? Overtime! En als ze ‘s middags nog niet met je klaar zijn ook al was je daar om twee uur al: overtime! Nou is dat niet heel dramatisch, het zal misschien € 150 duurder worden als je echt pech hebt, maar ik weet dat ik me voor het driedubbele bedrag zou ergeren. We doen dus ons best om precies om 8.30 uur (op vrijdag beginnen deze ambtenaren later en eindigen ze de werkdag vroeger) op vrijdagmorgen de portcontroll op te roepen, met het verzoek om te mogen ankeren. Ik durf de havenmeester niet eens voor die tijd op te roepen, zo hebben alle ervaringsverhalen me de stuipen op het lijf gejaagd. Het zal allemaal wel los lopen, maar aan mij zal het niet liggen.

Het voordeel van de voet op het gas houden betaalt zich nu al uit. Door het voorzeil weg te rollen wordt het heel rustig op de boot en mijn wacht is dan toevallig net afgelopen. We voeren tot dan behoorlijk diep, met een windhoek van 140 graden en door het rollen over de hoge golven valt de wind telkens uit het voorzeil, die dan steeds weer met een klap op de schootgeleider vol knalt. Monique voelde zich redelijk goed en posteerde zich met zeiljack en dekentje (en thee, crackers en een appeltje) in de kuip, terwijl ik de warme kooi in kruip. Een dekbed is niet meer nodig, we zijn weer in de tropen. Met een knoopje of vijf rollen we de nacht door. Want zonder voorzeil rollen we wel meer. Ik slaap er goed op.

Vanmorgen schijnt de zon, de zee is hard blauw, met witte schuimkoppen hier en daar. Alles is droog en op ons gemak zitten we van het schouwspel te genieten. Want dat is het nog steeds. Het waait bij ons niet meer dan een knoop of twintig, waar we heel prettig en rap, voor weg lopen. Minder dan vijftig mijl westelijker waait het dan nog tot veertig knopen en die golven komen daarvandaan op ons af. We zien ze van achteren aankomen en omhoog zwellen, tot ze vlakbij en meters boven het zonnepaneel, toch zomaar onder ons doorlopen. Elke keer lijkt het alsof de kuip de volle lading gaat krijgen, maar steeds tilt Victory haar kont omhoog en kijken we seconden later in een diepe blauwwit kolkende trog. Soepeltjes zakken we daar dan weer in, tot de volgende zeeberg zich aandient. Het is prachtig, maar je kunt je er klein bij voelen.

Dat we vroeg in de ochtend aan gaan komen is voor het vissen minder gunstig. In principe lig ik tot een uur of zeven in bed en dan hebben we nog anderhalf uur de tijd voor ik de havenmeester oproep. Natuurlijk ga ik het dan wel proberen, maar vanmiddag doe ik dat toch ook alvast maar even. We zitten dan nog op volle zee, vele mijlen van interessante stromingen en kapen vandaan. Dat zijn plekken waar ik meestal wel weet te scoren. Monique zag een koppel grote vogels en ze vroeg zich af wat het nou waren, ze leken mij op een kruising tussen een fregatvogel en een boobi, te ver weg om het goed te zien. Onderweg zagen we trouwens nog twee keer een albatros en ongelooflijk wat een vogels dat zijn zeg! Vanaf de plaatjes lijkt het gewoon een andere variatie op het zeevogelthema, maar wat voor één! Enorm groot, drie meter tussen de vleugeltips en ze vliegen zo majestueus over en tussen de golven door dat ik het beeld niet gauw kwijt zal raken. In het Museum in Wellington zagen we er een opgezet, wat indrukwekkend was, maar ze in de vlucht te zien vond ik super. Het was trouwens geen vliegen, maar zweven wat ze deden. Met die ogenschijnlijk messcherpe lange vleugelbladen klappen ze net zo makkelijk de hoek om of stijl omhoog tegen de wind in, haast zonder ze te bewegen. Ik heb natuurlijk heel veel boeken over zeegaande kerels gevreten in mijn jonge jaren, die steevast lyrisch werden in hun beschrijvingen van albatrossen. De helden in mijn jongensboeken, ze hadden allemaal gelijk!

We drinken onze thee met een speculaasje van de Nederlandse afdeling in de supermarkt en ik kijk naar de hengel die ik ter vervanging van de verzopen stok aan het werk heb gezet. Ik had me een beetje laten gaan in die winkel en kocht toen met veel korting ook nog een kleiner model linkshandige Okuma, die nu op een dertig ponds John Miller hengel zijn best staat te doen. Heel anders dan de dertig ponds Fenwick Offshore-stok die nu op 4000 meter diepte ligt, maar hij slaat evengoed wel krom op het moment dat ik een slokje van mijn thee neem. Nou wordt René Froger gelukkig van een kopje thee, ik word het van een kromme hengel! De vis is niet groot genoeg om veel lijn van de reel af te trekken, maar mijn dag is toch wel weer goed. Zonder al te veel moeite draai ik een kleine albacore binnen, dat is een tunasoort die lekker is, maar deze vind ik onder de maat en ik gooi hem direct terug. Mijn eerste albacore en voor het eerst een vis aan die reel. Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat. Geweldig ding. Dat we vandaag ook lekker doorgevaren hebben met zeven tot acht knopen, maakt dat we weer een rustige nacht hebben, waarin we zachtjes murmelend, met vijf knoopjes ons doel gaan bereiken. We hebben twee keer tijdens onze reizen echt een langdurige storm gehad op zee en beide keren was dat tussen NZ en de eilanden. Het is gewoon een kutstuk water en Monique heeft om die reden de optie om terug te gaan naar dat land aan het einde van dit seizoen al haast verworpen.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.